Wednesday 10 September 2014

DE NIEUWE FAMILIE- EN JEUGDRECHTBANK

Op 1 september 2014 trad de nieuwe Familie- en Jeugdrechtbank in werking. Velen proclameren dat de oprichting van deze nieuwe rechtbank veelbelovend is. Maar wordt het vanaf nu enkel rozengeur en maneschijn? Waar zitten de valkuilen en op welke vlakken biedt de nieuwe rechtbank een werkelijke meerwaarde?

Waar vroeger de  vrederechter, de rechtbank van eerste aanleg, de jeugdrechters en kortgedingrechters kennis namen van familiezaken zal dit vanaf heden gebeuren door een gespecialiseerde rechtbank binnen de rechtbank van eerste aanleg, de familie- en jeugdrechtbank. Dit wil ondermeer zeggen dat spoedeisende zaken in kortgeding en de voorlopige maatregelen tussen echtgenoten, wettelijk samenwonenden en feitelijke samenwonenden, met kinderen niet langer tot de bevoegdheid van de vrederechter behoren. Voortaan behoren die zaken tot de bevoegdheid van de nieuwe familie- en jeugdrechtbank. Er wordt dus zogezegd komaf gemaakt met de versnippering in familiezaken. Maar is dat wel zozeer het geval? 


Naast de kamers voor minnelijke schikking (zie infra), worden binnen de familie- en jeugdrechtbank  immers verschillende familie- en jeugdkamers georganiseerd. Zo zullen alle zaken met minderjarige kinderen verschijnen voor aparte kamers, echtscheidingen door onderlinge toestemming met kinderen vormen daar dan weer een uitzondering op en verschijnen voor een andere kamer, en zaken zonder kinderen worden door nog een andere kamer behandeld. De vraag blijft dan of de versnippering in familiezaken op die manier wordt tegengegaan…

Binnen de familie- en jeugdrechtbank worden verder verschillende kamers voor minnelijke schikking opgericht. De wet stelt dan ook dat alle partijen aanwezig moeten zijn op de inleidingszitting om de rechter de gelegenheid te bieden hen in te lichten over de mogelijkheid tot beslechting van de zaak via verzoening, bemiddeling of elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten. Over deze persoonlijke verschijning bestaat reeds op de dag van vandaag discussie. Wij zijn de mening toegedaan dat deze persoonlijke verschijning niet noodzakelijk een meerwaarde biedt. Het heeft ons inziens geen nut om op de inleidingszitting een poging tot verzoening voor te stellen aangezien de start van de procedure aantoont dat een verzoening wellicht niet meer mogelijk is. Het is dan ook zeer de vraag of die bepaling in de wet stand gaat houden. Voorlopig gebied de wet dus wel dat partijen aanwezig moeten zijn op de inleidingszitting in tegenstelling tot de oude wet waarbij deze verplichting niet bestond.

Men verkondigt ook luid en duidelijk “één familie, één dossier en één rechtbank”. Vanaf heden zal elk familiedossier door één enkele rechter behandeld worden. Nieuwe vorderingen zullen steeds voor de familierechtbank gebracht worden die reeds eerder over een geschil in dat familiedossier hebben geoordeeld. Hiermee wordt echter uit het oog verloren dat in hoger beroep weldegelijk een andere rechter, die misschien niets van de zaak afweet, over de zaak zal oordelen. Bovendien biedt de nieuwe wet geen garantie dat voor opeenvolgende vorderingen in beroep ook steeds dezelfde magistraat in hoger beroep zal oordelen. Het is dan ook afwachten hoe dit in de praktijk gerealiseerd zal worden.

De nieuwe wet gebiedt tevens dat in zaken betreffende minderjarige kinderen alle partijen, naast de inleidingszitting, ook aanwezig zijn op de zitting waarop de vragen betreffende de kinderen worden behandeld alsook op de pleitzittingen. Een uitzondering op deze persoonlijke verschijning bestaat wanneer partijen een volledig akkoord hebben bereikt over alle vorderingen die in de gedinginleidende akte waren opgenomen, met tussenkomst van een advocaat, notaris of erkend bemiddelaar. Dat akkoord wordt dan door de rechter gehomologeerd op voorwaarde dat het niet strijdig is met het belang van het kind.

Enkele innovaties kunnen positief onthaald worden. Het gaat dan onder meer om het hoorrecht van de minderjarige kinderen. Het hoorrecht heeft betrekking op het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact. Kinderen vanaf 12 jaar worden via een informatieformulier door de rechter ingelicht over hun recht om gehoord te worden. Ze zijn echter niet verplicht in te gaan op het voorstel om gehoord te worden, ze kunnen weigeren. Kinderen onder de twaalf jaar worden niet via een informatieformulier op de hoogte gebracht. Nochtans hebben zijn ook het recht om gehoord te worden. Het kind jonger dan 12 jaar kan op eigen vraag gehoord worden, of op vraag van de partijen, het openbaar ministerie of de rechter zelf. Het horen van het kind gebeurt onder vier ogen, tussen rechter en kind. De bijstand van een advocaat is in de wet niet voorzien.

De nieuwe wet lijkt efficiëntie hoog in het vaandel te dragen. Of schijn weldegelijk bedriegt zal uit de praktijk moeten blijken. To be continued…

Pascal NELISSEN GRADE