Friday 12 September 2014

Rechtplegingsvergoeding in fiscale zaken

De rechtsplegingsvergoeding uit artikel 1022 van het Gerechtelijk wetboek (vaak afgekort als RPV) is bedoeld om een deel van de kosten van het geschil af te wentelen op de verliezer. Deze vergoeding wordt forfaitair berekend op basis van de waarde van het geschil en kan oplopen tot 33.000 euro. Voor de winnende partij kunnen de financiële gevolgen dus zeker niet miniem genoemd worden.

Ook de partijen in een fiscaal geschil konden op dergelijke RPV rekenen. Net voor de verkiezingen werd de toepasselijkheid ervan in fiscale zaken echter door het parlement afgeschaft, met het oog op een kostenbesparing door het overheidsapparaat. De wet van 25 april 2014 heeft namelijk een uitzondering op voornoemd art. 1022 Ger.W. ingevoerd. In het aangepaste zesde lid van art. 1022 Ger.W. wordt immers gesteld dat er geen vergoeding ten laste van de staat verschuldigd is, wanneer een publiekrechtelijk rechtspersoon in het algemeen belang in een geding optreedt. Indien de fiscus zich laat vertegenwoordigen door een advocaat, zou de fiscus daarentegen wel gebruik kunnen maken van de rechtsplegingsvergoeding.

Deze nieuwe uitzondering kon geruime tijd onder de radar van de publieke opinie blijven. De regeling kwam eind augustus toch boven water. Meteen was het de aanleiding tot een kleine mediastorm.

De rechtsleer stelde meteen dat dergelijke aanpassing van de wetgeving een discriminatie vormde en dus ongrondwettig was. Consumentenorganisatie Dolor kondigde intussen aan om naar het Grondwettelijk Hof te stappen om de nieuwe maatregel aan te vechten. De heer Karel Anthonissen van de Federale Overheidsdienst Financiën verklaarde dat de reden voor de uitzondering voor een aanspraak op dergelijke vergoeding ligt in het feit dat ambtenaren in fiscale zaken zo veel mogelijk zelf proberen op te treden. Volgens hem is de nieuwe maatregel dus niet meer dan een correctie van de ongelijkheid die gecreëerd werd doordat de overheid, die zich zonder advocaat verdedigt, geen aanmerking kon maken op de rechtsplegingsvergoeding. In beginsel moet de tegenpartij immers enkel de vergoeding betalen indien de winnende partij door een advocaat vertegenwoordigd werd.

Los van de discussie van de grondwettigheid ervan, brengt de uitzondering op de RPV in fiscale zaken ook met zich mee dat de burger afgeschrikt zou kunnen worden om beslissingen van de fiscus aan te vechten. De fiscus zou met andere woorden geen nadelen meer ondervinden van fiscale experimenten. Zelfs als de fiscus zou verliezen, dan hoeft het toch geen vergoeding te betalen voor de rechtspleging. Dit gevolg valt allerminst toe te juichen.

Enkele dagen na de ontdekking van de wetswijziging was de storm echter al terug gaan liggen. Gealarmeerd door de negatieve commentaar, stelden de meeste politiek partijen  namelijk dat ze de wet van 25 april gingen herbekijken. In ieder geval vereiste de wet ook nog een inwerkingtreding door middel van een Koninklijk Besluit, dat door de regering opgesteld moet worden. Gezien de politieke consensus over de herziening van de wet, is de kans dan ook klein dat dit KB er ooit zal komen.


Alexis LEFEBVRE
Mathias SUPPLY