Thursday 29 January 2015

"Luc Tuymans veroordeeld voor plagiaat

Luc Tuymans pleegde plagiaat toen hij een schilderij baseerde op een foto van De Standaard-fotografe Katrijn Van Giel."

Related article

Bron: De Standaard 20.01.2015

Onlangs veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen schilder Luc Tuymans voor plagiaat. Met zijn schilderij “A Belgian Politician” zou hij immers een inbreuk maken op de auteursrechten van Katrijn Van Giel, fotografe van de foto waarop het kunstwerk gebaseerd is.

Het schilderij en de foto vertoonden dezelfde kadrering, kleuren en belichting, waardoor de rechtbank van mening was dat het schilderij een reproductie was van Van Giels foto.

Het vonnis liet de kunstwereld niet onberoerd. “Hoe kan een kunstenaar de wereld in vraag stellen zonder enkele van zijn beelden te gebruiken?” klinkt het bij de tegenstanders. Daar tegenover staan echter ook voorstanders die veroordelingen als deze aanmoedigen.

Wie heeft er nu gelijk? In welke mate is het toegestaan om andermans werk te gebruiken en vanaf wanneer maakt men zich schuldig aan plagiaat?

Aan die vraag gaan vele andere vragen vooraf. Auteursrecht komt immers toe aan de auteur van een beschermd werk. Wie is auteur? Wat is een beschermd werk? Uit wat bestaat het auteursrecht? En wanneer ten slotte maakt men inbreuk op dit recht?

Auteur is de natuurlijke persoon die het werk gecreëerd heeft. In casu lijkt hieromtrent moeilijk discussie te bestaan. Als fotograaf van de foto, is Van Giel tevens de auteur van de foto.

Is deze foto dan wel een beschermd werk? Een idee of een concept zonder meer wordt niet beschermd. Wat het auteursrecht beschermt, is de vorm die de auteur aan het idee of concept geeft. Zo is niet het idee om een verslagen Jean-Marie Dedecker op beeld vast te leggen, beschermd – iedereen mag dit immers doen - maar wel de concrete foto waarmee Van Giel dit idee uitvoert.

Opdat een werk auteursrechtelijk beschermd zou zijn, is bovendien vereist dat het een oorspronkelijk werk is. Dit betekent dat het werk de persoonlijkheid van de auteur moet weerspiegelen. Heel kunstzinnig of origineel dient deze oorspronkelijkheid echter niet te zijn. Het Europees Hof van Justitie oordeelde dat de portretfoto van Natascha Kampusch die bij haar verdwijning verspreid werd, een oorspronkelijke foto was, waarbij de schoolfotografe keuzes heeft gemaakt die haar persoonlijkheid weergeven in het werk. Zodoende is de portretfoto auteursrechtelijk beschermd en mochten de media deze niet zonder toestemming verspreiden.  

Zo getuigt ook Van Giel’s foto zonder twijfel van een zekere oorspronkelijkheid en originaliteit. De keuze van kadrering, het exacte moment waarop de foto getrokken werd en de belichting die het zweet op Dedeckers hoofd doet oplichten, zijn bewuste keuzes geweest waardoor de foto een uitdrukking is van de creatieve geest van Van Giel. Uit voorgaande volgt dat Van Giels werk auteursrechtelijk beschermd is.

De discussie die ontstaan is in navolging van het besproken vonnis, betreft echter de reikwijdte van deze bescherming en de vrijheid van derden die daartegenover staat.

Een auteur van een beschermd werk, heeft in beginsel het exclusieve zeggenschap over praktisch alles wat er met het kunstwerk kan en mag gebeuren.

Zo kan men vanzelfsprekend het werk niet zonder toestemming van de eigenaar reproduceren, “op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk”.

De bewoording van de wet is ruim, waardoor verschillende vormen van reproductie onder het verbod vallen. Ook reproducties waarbij men ingrijpende wijzigingen aanbrengt aan het origineel, kunnen een verboden reproductie uitmaken, indien de vorm van het origineel herkenbaar blijft.

Zo zal een boek dat exact dezelfde verhaallijn volgt als een reeds bestaand boek, maar in andere bewoordingen verteld wordt, plagiaat uitmaken.  

Op het reproductieverbod bestaan echter ook uitzonderingen en één daarvan werd door Tuymans ingeroepen ter verdediging: de uitzondering van de karikatuur, parodie en pastiche.

Een werk dat regelmatig publiek gemaakt werd, mag zonder toestemming van de auteur gebruikt worden indien het als voorwerp dient van een karikatuur, parodie of pastiche.

De rechtspraak aanvaardt deze uitzondering slechts zelden. Opdat van een parodie sprake kan zijn, hebben de rechtbanken en hoven gaandeweg enkele voorwaarden ontwikkeld waaraan een werk moet voldoen. Alleen indien hieraan voldaan is, is reproductie zonder toestemming van de auteur mogelijk.

Het nieuwe werk moet hiervoor zelf ook oorspronkelijk zijn, een kritische bestemming hebben, een humoristische toon inhouden, geen verwarring met het originele werk teweeg brengen, geen louter commerciële doeleinden hebben en tot slot niet louter schade toebrengen als doel hebben.

Voldoet het schilderij aan al deze voorwaarden? Voor- en tegenstanders van het vonnis zijn het erover eens dat het schilderij van Tuymans geen humoristische toon inhoudt. Interpretatie en kritiek vallen immers niet zonder meer samen met humor. Sommigen menen zelfs dat de stempel “parodie” te min is voor Tuymans’ werk. Het betoog van de parodie overtuigt dus niet.

Daarenboven mogen ook de morele rechten die een auteur op zijn werk bezit niet uit het oog verloren worden, zoals het recht om erkend te worden als auteur van een specifiek werk en het recht op eerbied voor zijn werk. Een verwijzing naar het originele werk en zijn auteur kan reeds volstaan om deze morele auteursrechten te respecteren.

Maakt een muzikant, die zonder toestemming een lied van een ander overneemt, maar het met andere instrumenten en misschien een ander tempo speelt, zich toch niet schuldig aan plagiaat?

Doet Tuymans hier niet hetzelfde? Het beeld is het lied, de verf zijn instrument en de kleuren het tempo.

De ontstane hetze betreft echter niet voorgaande bepaalbare, waarneembare toetsingscriteria, maar wel de kern van beeldende kunst. Beeldende kunst is immers zolang ze bestaat, een interpretatie van de actuele realiteit. Ze stelt vragen of stelt in vraag. Een beeldend kunstenaar valt daarvoor noodzakelijkerwijze terug op beelden uit zijn omgeving, uit die specifieke actuele realiteit, uit de media. Scènes van de straat, zinnen uit liedjes of gedichten, beelden uit het nieuws, foto’s uit de krant.

In onze rechtstaat echter kan de rechtbank niet anders dan oordelen binnen het kader dat de wet creëert en deze wet voorziet thans geen uitzondering voor dit aloud gebruik binnen de beeldende kunst. Misschien kan de wet hier ook niet in voorzien. Een uitzondering voor beeldende kunst zou immers een definitie vereisen van het ondefinieerbare: Kunst.

Ons inziens heeft de rechtbank zodoende een vonnis geveld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en dus een correct vonnis. Het wrange gevoel dat deze veroordeling teweeg brengt bij menig beeldend kunstenaar, is te wijten aan de moeilijke verhouding regel – kunst en niet zozeer aan een gebrek in de uitspraak. Toestemming vragen blijft aldus vereist alvorens gebruik te maken van andermans creatie.